Naar de inhoud

Afscheid

Marsmans gedicht over een stervende die afscheid neemt van huis en geliefde; voor een uitvaart.

Past bij een uitvaart

Ik ga op weg en laat mijn huis verdonkren in het avondrood

— o, ga niet weg de nacht is groot —

ik kan niet blijven lieveling, de dood ontbood mij tot zijn kring;

vergeef mij dat ik achterlaat wat ik zoozeer heb liefgehad:

mijn huis, mijn stad, mijn kleine straat en u mijn eigen hart.

ik hoor een lied een groote stem....

— zijt gij dan niet van mij?

van hem....

o, vrouw die eenzaam achterblijft in het verwaaiend avondrood

o dood, o stem....

de nacht is groot en sterk de stem die tusschen slaap en morgenrood roept uit het nieuw Jeruzalem.

H. Marsman

Gebruik in je boekje

Waar gaat dit gedicht over?

Iemand gaat op weg en laat zijn huis achter in het avondrood. Een geliefde vraagt hem te blijven. Hij kan niet: de dood heeft hem geroepen. Hij vraagt vergeving dat hij alles achterlaat wat hij liefhad: zijn huis, zijn stad, zijn straat en de ander. Hij hoort een grote stem. De vrouw blijft alleen achter. Het slot is hoopvol: de stem roept tussen slaap en ochtendrood uit het nieuwe Jeruzalem, een beeld uit de Bijbel voor de hemel.

Het gedicht verscheen in 1931 in het tijdschrift De Gids. Later nam Marsman het op in de bundel "Porta Nigra" (1934).

Een paar woorden: "verdonkren" is donker worden, "ontbood mij tot zijn kring" betekent riep mij bij zich en "zoozeer" is zo erg.

Wanneer past dit gedicht?

Het past bij de uitvaart van een partner of ouder die een huis en een gezin achterlaat. Het slot met het nieuwe Jeruzalem geeft het een gelovige toon. Het gedicht is heel sober, met korte regels. Daardoor is het goed te volgen.

Voorlezen

Een kind, een partner of een vriend leest het voor. Er spreken twee stemmen: de regels met een streepje ervoor zijn van de geliefde die achterblijft. Je kunt het ook met twee mensen voorlezen. Lees langzaam en laat stiltes vallen bij de puntjes. Voorgelezen duurt het ongeveer een minuut.